7 februari 2022 

Natuurgeweld als Gods stem

Binnenland

Herdenking watersnood: toen vader in het dekentje keek, was de baby weg

Nee, vader kwam niet naar de kant. Maar zijn dochter bleef wachten tot hij kwam. Toen zag ze een licha...

God spreekt tot Jona door een storm en de profeet erkent dat. Hoe sta jij tegenover Gods handelen door bijzondere (weers)omstandigheden?

Bij de tweede dagopening van het Bijbelboek Jona denken we na over het natuurgeweld. Actueel, storm Corrie zorgde recent nog voor overlast in ons land. Zeker eind januari zal er veel herkenning zijn bij de mensen die de Watersnoodramp van 1953 hebben meegemaakt.
Jona, maar ook de zeelieden, koppelen de storm direct aan het handelen van de profeet van God. Het natuurgeweld is niet zonder reden, zo denken zij. De schipper wekt Jona, het is de eerste stap tot inkeer de bij God weggelopen Jona.
Natuurgeweld, in welke vorm dan ook, treft de aarde en de inwoners nog steeds. Welke vingerwijzing van God zien wij daarin? Luisteren we als God spreekt, op welke manier dan ook?

Bijbelgedeelte

Lees verder

4 Maar de HEERE wierp een groten wind op de zee, en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken.

5 Toen vreesden de zeelieden en riepen een iegelijk tot zijn god, en wierpen de vaten die in het schip waren, in de zee om het van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder en was met een diepen slaap bevangen.

6 En de opperschipper naderde tot hem en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God; misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan.

7 Voorts zeiden zij een ieder tot zijn metgezel: Komt en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.

8 Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en vanwaar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij?

9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreeër; en ik vrees den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.

10 Toen vreesden die mannen met grote vreze en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? Want de mannen wisten dat hij van des HEEREN aangezicht vlood, want hij had het hun te kennen gegeven.

11 Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.

12 En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.


1 Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jedúthun.
2 Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
3 Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den Heere; mijn hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.
4 Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.
5 Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen en sprak niet.
6 Ik overdacht de dagen vanouds, de jaren der eeuwen.
7 Ik dacht aan mijn snarenspel, in den nacht overlegde ik in mijn hart; en mijn geest onderzocht:
8 Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?
9 Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?
10 Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.
11 Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.
12 Ik zal de daden des HEEREN gedenken, ja, ik zal gedenken Uw wonderen van oudsher,
13 En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
14 O God, Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?
15 Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekendgemaakt onder de volken.
16 Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost, de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.
17 De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.
18 De dikke wolken goten water uit, de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarheen.
19 Het geluid Uws donders was in het rond; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.
20 Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend.
21 Gij leiddet Uw volk als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron.

Zingen

Meer verzen zingen

Ps. 77:10

Dikke wolken goten water;
Hoger zwerk gaf fel geklater;
Uwe pijlen, zo geducht,
Vlogen vlammend door de lucht;
't Zwaar geluid der donderslagen
Deed het al in 't ronde wagen;
En de wereld werd verlicht
Door herhaalden bliksemschicht.

In gesprek
1. Vraag

De zeemannen -vast voor geen kleintje vervaard- zijn ten einde raad. De schipper wekt Jona en spoort hem aan tot Zijn God te bidden. Hoe zie je daar de hand van God in?

2. Vraag

De storm is door God beschikt. Moeten wij natuurgeweld (overstromingen, stormen en hitte) altijd in deze context zien? Waarom wel of niet?

3. Vraag

Wat is zo opmerkelijk aan de woorden: “Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid”? Wat leert je dat over Gods ingrijpen?

4. Vraag

Citaat uit het artikel: “De regering zegt dat we alleen samen corona eronder krijgen, maar de dichter (van psalm 107) zegt dat we niet alles in de hand hebben, dat het leven niet maakbaar is. God heeft de hand in alles hier op aarde.”
Hoe zie jij de hand van God in de tijd van nu en in jouw leven?

Vul hier uw eigen inhoud in.

Overige dagopeningen

4 juli 2022 

Het lied van Mozes

1 juli 2022 

Iedereen heeft een roeping

30 juni 2022 

Windhoos Zierikzee

29 juni 2022 

Vrijmoedigheid